Mood Ring

zuiderzeerdijk

Grijs

Gelukkig heeft de BMW 6-serie van mijn man achterin verduisterde ramen. Ik bel aan, ga snel op de achterbank zitten en kijk naar jouw voordeur. Eindelijk gaat de deur open, je doet twee passen op straat, kijkt naar rechts en naar links en haalt je schouders op. Ademloos kijk ik naar de souplesse waarmee je beweegt, je jeugdige lijf en je intense blik. Mijn gezicht gaat gloeien, kriebels overal, ik voel fijne schokjes door mijn onderbuik, mijn klitje tintelt. Onbewust kantelt mijn bekken naar achteren en vallen mijn knieën open maar zodra ik dat besef verkramp ik. Zachtjes fluister ik “Nooit meer, nooit meer ooit.” Tranen lopen langs mijn verhitte wangen. Als je het kerstpakketje aan de deurknop ziet hangen pak je het terwijl je nog een keer om je heen kijkt. Je scheurt het papier eraf, klikt het doosje van mijn trouwring open en pakt de ‘mood ring’ eruit.
De ring is grijs.
Je verslapt, wordt in één tel twintig jaar ouder en ook jij kan de tranen niet binnenhouden. Minder dan vijf meter van elkaar treuren wij eenzaam om wat nooit is geweest.

 

Groen.

Eigenlijk had ik helemaal geen zin inde reünie van het ‘Christelijk Lyceum Polderlant’. Wat moest ik met al die mensen die ik vijfentwintig jaar niet heb gezien en gehoord. Bovendien had ik het te druk met mijn notariswerk. Er lagen twee erfenissen, een (v)echtscheiding en een woningtransport op mij te wachten en dan nog mijn vrijwilligerswerk vanuit de Evangelische Gemeente bij het AZC. Tot mijn secretaresse meldde dat de bespreking van de echtscheiding niet doorging en ik zomaar twee uur over had. Met een zucht werkte ik mijn make-up bij en liep de twee straten naar café ‘Het Poortje’ waar iedereen al druk bezig was om herinneringen op te halen.

Een lichte aanraking, jouw hand voorzichtig op mijn bovenarm.
“Eva? Mag ik deze dans van jou?”
“Dolf? Hoe kom jij hier? Jij zat toch niet op het Polderlant?”
“Jazeker, op de dependance …”

Ongelooflijk, je zag er nog hetzelfde uit! Mannelijker, intenser, maar even jeugdig en sprankelend. De liefde van mijn jeugd, mijn danspartner. Ik moest zo blozen. Hoe vaak ik niet met jou in gedachten de elektrische tandenborstel heb misbruikt! Je vroeg wat ik wilde drinken en even later hingen we samen tegen een tafeltje en spraken over ons werk (jij koordirigent), over onze relaties (allebei kabbelend getrouwd), nou ja, over van alles. Ik voelde de warmte van jouw aandacht in mijn lichaam vloeien. Heerlijk.

Tot je zei: “Weet je Eva, ik ben vandaag vooral hier gekomen in de hoop om jou te zien. Ik was vroeger veel te bleu om het te zeggen, maar eigenlijk was ik in stilte vreselijk verliefd op jou. De rumba met jou in mijn armen was het hoogtepunt van de week, dolfijn.” Ik slikte moeizaam en keek naar de grond. Zacht fluisterde ik “Dolf-fijn . . . Ik was ook vreselijk verliefd op jou.” Langzaam keek ik omhoog, je ving mijn blik.

Ik was verloren, de grond viel weg onder mijn voeten, alles draaide, ik voelde dat je me optilde en naar het koele terras droeg, jouw sterke armen om mij heen. Je legde me voorzichtig op de schommelbank, schonk een glas water in, ondersteunde me en liet mij slokje voor slokje drinken. Ik werd weer dat verlegen, verliefde meisje van zeventien. Je kuste mij zacht op mijn voorhoofd, mijn wang.
“Gaat het weer een beetje?”
“Ja hoor,” zei ik, “gewoon niet gegeten, te druk gehad.”
“Je moet wel goed voor jezelf zorgen hoor.” lachte je naar me.
“Weet je wat, volgende week vrijdag gaan we lunchen. Ik haal je om half één op bij je werk”
“Nee, ja, goed.” sputterde ik zacht tegen.

Je stond op en kuste me, onze lippen raakten elkaar nauwelijks, maar ik was alleen maar lippen, mijn lippen op de jouwe.

“Ik moet nu echt gaan, er wacht een koor op me.”

Bijna dansend liep je weg, maakte anderhalve draai, kwam weer terug, stopte iets in mijn hand en vouwde mijn vingers eroverheen.

“Hier, een aardigheidje, heb ik pas 25 jaar in de kast liggen …” en weg was je. In mijn hand een ‘mood ring’ met dolfijntjes. De ring werd langzaam groen.

03e68-mood-ring

Diep paars

Ik was de hele week van de leg. Aangebrand eten, domme fouten op kantoor (gelukkig een geweldige secretaresse) en mijn man die vroeg waar ik toch met mijn hoofd zat. Steeds weer dwaalden mijn gedachten af naar jouw veerkrachtige tred, je lekkere lijf, je heldere ogen.

De Somalische waarmee ik Nederlands spreek op het AZC had het gelijk door.
“Jij verliefd, ik zie.”“Jij bent verliefd, ik zie het” herhaalde ik automatisch.
“Niet ik, jij!” lachte ze schaterend.
Ik droeg je ring aan een ketting om mijn hals, verborgen onder mijn kleding. Roze als ik wanhopig was (wat moet ik nu?), beige als ik rusteloos was, liefdesgroen als ik in het verleden dwaalde en paars van passie als ik aan vrijdag dacht. Om half één liep ik de koude, miezerige regen in. Je liep om de auto heen en deed het portier voor mij open. Ik hield me groot maar stond op het punt om weer onderuit te gaan.

“Goedemiddag mevrouw!” Ik ging zo elegant mogelijk zitten. Je startte de auto, streelde mijn hals, kroelde door de krulletjes in mijn nek, bracht mijn gezicht naar je toe en kuste me. Ik voelde me week worden, een paarse passie overspoelde me van mijn tenen tot mijn kruin en balde zich samen in mijn zinderende onderlichaam. Hongerig opende ik mijn lippen.

Van lunchen kwam het niet, we reden langs de plaatsen die onze jeugd markeerden. Van het schoolgebouw, onze ouderlijke huizen en de danszaal naar de plek van eenzame pubertroost, de Zuiderzeedijk, waar we vroeger, onwetend van elkaar, over het water staarden. Hand in hand liepen we over de dijk tot we bij een bankje kwamen. Ik leunde tegen de bank, jij stond vóór me, jouw handen lagen op mijn schouders. Het was 20 december, bitter koud maar toch, opende ik mijn winterjas en knoopte mijn blouse los. Je kuste mij intens en omvatte mijn warme borsten met je koude handen. eerst voorzichtig maar steeds gretiger. Je verkende mijn tepels teder met je tong en prikkelend met je tanden. De lust in mij werd diep paars. Je handen gleden verder onder mijn blouse, over mijn naakte huid, je kneedde mijn taille, mijn billen, mijn buik. Ieder kneepje flitste vonkend over mijn huid, door mijn kloppende parel naar mijn gloeiende poesje, maakte dat de spanning steeds hoger opliep. Jouw knie dwong mijn benen uit elkaar. Je dij streelde langs mijn hunkerende kutje en ontketende een bliksem die diep in mij omhoog sloeg en mij schokkend liet komen… en nog eens.

Schor zei je “We gaan naar mijn huis.” Ik knikte sprakeloos en tien minuten later zaten we op jouw bed. Je begon me langzaam uit te kleden, met liefhebbende, gebaren, elk stukje huid kussend dat je ontblootte. Ik verstijfde, voelde me bekeken door God en de wereld. We zijn allebei gebonden, dit mag niet.

Ik kan het niet!

 

Wit 

Ik griste mijn kleren bij elkaar en stortte mezelf de trap af. Wankelend liep ik naar huis, de kille wind huilde door mijn openstaande winterjas, door mijn lijf. Thuis kroop ik jankend in bed, van binnen gesloopt. Vijf dagen heb ik uitgeput op bed gelegen.
Vanmorgen stond ik op, heb jouw ring in zorgvuldig met kerstpapier ingepakt en ben naar je huis gereden.

Je draait je om en sloft vermoeid naar binnen.

In de achteruitkijkspiegel zie ik mijn zorgvuldig opgemaakte gezicht met de doorgelopen mascara en in mijn ogen de ijswitte, lege woestenij van binnen

 

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s